Authors: Reinald Curiel. Servaas Houben
link:http://www.vbcuracao.com/website/index.php?option=com_docman&task=doc_download&gid=81&Itemid=57 (page 6-10)
Publisher, publication date: VBC Magazine, 2017-08
——————————————————————————————————————————
Abstract: werknemers ontvangen van hun werkgever een pakket van arbeidsvoorwaarden, ook wel employee benefits genoemd. Deze employee benefits omvatten onder andere salaris, vakantiedagen, verzekeringen, auto of reiskosten vergoeding en (eventueel) pensioen. Vanwege de lagere rente en stijging in de levensverwachting wordt de prijs van één van deze employee benefits, pensioen, steeds duurder en de hoogte van de uitkering steeds minder zeker. Werknemers en werkgevers moeten daarom bewust zijn van de wijzigende pensioenkosten en nadenken over een nieuwe balans tussen huidig loon (salaris) en uitgesteld loon (pensioen). Omdat pensioen opbouw over een lange periode plaatsvindt, is het van belang tijdig met deze discussie te starten, zodat er ook tijdig bewuste keuzes gemaakt kunnen worden.
Compounding interest
Het idee achter compounding interest (Nederlands: rente op rente) is dat verschillen in rente op de korte duur een beperkte impact hebben, maar op de lange duur veel meer impact hebben. Stel dat er 3 verschillende spaarrekeningen zijn: de eerste met een rente vergoeding van 1%, de tweede met een rentevergoeding van 2%, en de derde met een rentevergoeding van 4%. Iemand die op startdatum een bedrag van 100 inlegt ontvangt dan de volgende betalingen op einddatum:
Duur | ||
1 jaar | 20 jaar | |
1% spaarrekening | 101.00 | 122.02 |
2% spaarrekening | 102.00 | 148.59 |
Procentueel verschil | 1.0% | 21.8% |
Tabel 1: rente op rente effecten
Na 1 jaar zijn de verschillen tussen de 2 spaarrekeningen beperkt (1%). Na 20 jaar is het verschil een stuk groter: niet alleen 20 maal het jaarlijkse verschil van 1%, maar ook nog een extra verschil van 1.8% (21.8% – 20 * 1%). Het verschil tussen een spaarrekening met 1% en 4% rente is zelfs nog groter:
Duur | ||
1 jaar | 20 jaar | |
1% spaarrekening | 101.00 | 122.02 |
4% spaarrekening | 104.00 | 219.11 |
Procentueel verschil | 3.0% | 79.6% |
Tabel 2: rente op rente effecten
Het verschil na 20 jaar is nu niet 3% * 20 = 60% maar zelfs 79,6%! Grafisch ziet dit er als volgt uit:
Figuur 1: eindkapitaal voor verschillende rentes
Het niveau van de rente heeft dus grote impact op het eindkapitaal. Van de andere kant heeft het niveau van het rente ook grote impact op de benodigde inleg. Stel dat iemand na 20 jaar een bedrag van 200 wil hebben gespaard. Hoeveel moet hij dan inleggen op startdatum bij de verschillende spaarrekeningen?
Figuur 2: vereiste inleg voor verschillende rentes
Bij een lagere rente vindt er dus minder oprenting plaats en moet de deelnemer een hoger inleg bedrag op start datum inleggen: bij een rentevergoeding van 1% is 164 nodig, en bij een rente van 4% is slechts 91 nodig.
Pensioen financiering
Pensioenfinanciering volgt hetzelfde patroon als in figuren 1 en 2: bij een lagere rente vindt er minder oprenting plaats en krijgt de deelnemer een lager kapitaal op einddatum (figuur 1). Het enige dat de deelnemer kan doen om bij een lagere rente hetzelfde kapitaal op einddatum te ontvangen is door zijn inleg te verhogen (figuur 2).
Stel dat wij een deelnemer hebben met de volgende kenmerken:
Geslacht | Man |
Leeftijd | 25 |
Pensioenleeftijd | 65 |
Salaris | 50.000 |
Belasting percentage | 30% |
Jaarlijkse pensioenopbouw | 1.75% |
Tabel 3: deelnemerskenmerken
Per jaar bouwt de deelnemer dus 1.75% maal 50.000 is gelijk aan 875 aan pensioen op, zodat hij na 40 jaar 35.000 aan jaarlijks pensioen heeft. Het tarief voor de inkoop van 1.000 pensioen bij een rente van 4% is gelijk aan 124,9 dus de deelnemer betaalt ieder jaar 124,9 *35.000/1.000 = 4.372 aan pensioen premie.
Echter als de rente van 4% naar 3% wijzigt is een hogere pensioenpremie nodig om op hetzelfde eindkapitaal te komen. De pensioenpremie bij 3% is gelijk aan 174,2 wat een stijging van 39,5% betekent. De jaarlijkse pensioenpremie is vervolgens 6.098, waardoor een groter deel van zijn salaris voor pensioen wordt aangewend.
Bovenstaand effect wordt nog verstrekt door een stijging in de levensverwachting: het tarief bij een 3% rente en recentere tafel is gelijk aan 177,6 waardoor de pensioenpremie gelijk wordt aan 6.214. Tabel 4 vat de verschillende scenario’s samen:
Oud tarief | Nieuwe rente | Nieuwe rente, hogere levensverwachting | |
Rente | 4% | 3% | 3% |
Sterfte | 2000-2005 | 2000-2005 | 2003-2008 |
1. Bruto salaris | 50.000 | 50.000 | 50.000 |
2. Pensioen premie | 4.372 | 6.098 | 6.214 |
3. Salaris na aftrek pensioen premie (1-2) | 45,628 | 43,902 | 43,786 |
4. Netto loon na aftrek belasting en sociale premies (3 – 30%) | 31,940 | 30,731 | 30,650 |
Pensioen premie als % van salaris (2/4) | 13,7% | 19,8% | 20,3% |
Tabel 4: pensioenpremie als % van salaris
Afweging huidig en uitgesteld loon
Uit tabel 4 blijkt dat bij ongewijzigde pensioen ambitie de pensioen premie stijgt en een groter deel van het salaris nodig is ter financiering van pensioen. Zolang werkgever en werknemer hier mee kunnen leven, hoeft dit geen issue te zijn. Echter, als de balans tussen huidig en uitgesteld loon te scheef komen te liggen, kunnen werkgever en werknemer de pensioen ambitie naar beneden bijstellen zodat een minder groot deel van het salaris voor pensioen wordt aangewend. Bij een opbouw percentage van 1,5% in plaats van 1,75% zodat er een te bereiken pensioen van 30.000 is in plaats van 35.000. In plaats van de stijging van pensioen premie als percentage van het salaris van 13,7% naar 20,3% is er dan een stijging tot 17,0%.
Conclusie
Pensioen is een van de onderdelen van employee benefits en vanwege de lagere rente en hogere levensverwachting zullen de kosten van pensioen stijgen. Bij een ongewijzigde pensioen ambitie betekent dit dat er meer pensioen premie vereist is en dat een groter deel van het salaris voor pensioen dient te worden aangewend. Werknemers en werkgevers dienen daarom te beginnen om na te denken welke balans zij willen hebben tussen huidig en uitgesteld loon.